Ter diepgaander reflectie, Fisherprice?

Als we het willen hebben over geld dan is de Fishervergelijking bruikbaar, een in de monetaire economie veel gebruikte verkeersvergelijking. Meer inzicht verwerven we met behulp van een eenvoudig simulatiemodel,  we maken tevens gebruik van de ‘ceteris paribus‘ conditie om een aantal tendenzen transparant te maken. We belichten een en ander op een vrij rigide manier,  de doelstelling is om de interesse te wekken opdat meer voeling met het monetaire beleid ontstaat, let’s play monopoly.

Mutatie prijs

De variabelen van de verkeersvergelijking plaatsen we in een eenvoudig rekenblad, verdeeld over tien perioden (P1=>10). Naargelang onze keuze wijzigt de benodigde geldhoeveelheid (M’), het verschil (+/-) dienen we dan (1) toe te voegen of (2) uit het circuit te halen. Een eerste simulatie geeft een idee van wat er gebeurt bij inflatie en deflatie. Bij inflatie laten we gestaag de prijzen (P) stijgen, bij deflatie doen we net andersom. De beelden spreken voor zich, bij inflatie dienen we geld toe te voegen aan het economische proces, bij deflatie komt er spontaan geld vrij.

Mutatie handelsvolume

In de tweede simulatie muteren we het handelsvolume (T), dit wil zeggen dat we respectievelijk meer of minder gaan produceren. Merk op, gezien de ceteris paribus conditie blijft de bevolking en gebruikte technologieën stabiel, dit betekent simpelweg dat we meer of minder gaan consumeren. Ondanks weinig realistisch geeft het toch een indicatie van de impact op de geldhoeveelheid, bij een hoger handelsvolume is er meer geld nodig, minder als het volume daalt. Deze beelden zijn voor interpretatie vatbaar en onderwerp van debat.

Mutatie omloopsnelheid

De derde en laatste mutatie is die van de omloopsnelheid (V). De omloopsnelheid is een dubieus gegeven, we kunnen niet de geldhoeveelheid aanpassen om dan te zeggen dat we het geld sneller of trager laten circuleren, dit is immers hetzelfde element of irrelevant. De prijs aanpassen zou dan weer een effect hebben op de geldhoeveelheid, wat rest is dan het handelsvolume als duale tegenhanger binnen de vergelijking. Op deze manier komen we tot een gelijkblijvende geldhoeveelheid waardoor de grafieken schijnbaar stabiel blijven, onderliggend zien we wel variaties in het handelsvolume en de omloopsnelheid.

Interpretatie

We hebben nu een aantal simulaties waarbij we – zonder daar al teveel bij na te denken – een aantal tendenzen hebben transparant gemaakt. Deze simulaties staan open voor interpretatie, is het legitiem om dit zo rigide voor te stellen en/of wat leert het ons in relatie tot de economische crisis zoals we heden ervaren? We eindigen graag met een strikvraag, wat zou er gebeuren als we morgen mondiaal alle prijzen en lonen delen door een factor 10?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.